't Lieëuweriksveldje

 

Wat een leuke website, wat een leuk initiatief! De eerste 17 heel belangrijke jaren van mijn leven ben ik daar zeer uitbundig opgegroeid en heb ik heel intens genoten van een toen warme en hechte buurt. Als ik eraan terug denk, och, je kunt daar wel een boek over schrijven. Wat we allemaal ‘buiten’ beleefd en uitgevreten hebben. Laat ik me beperken tot een paar korte mijmeringen.

 

Pinkstermorgen 1947 ben ik geboren in de Lieëuwerikstraot op nummer 13. Mijn drie zusjes Tina, Fien en Mieke waren me al voorgegaan, ze zullen niet altijd blij geweest zijn met unne peskop erbij. En zes jaar later kwam daar ook nog eens ôzze Jack bij, een zorgenkindje, een mongooltje. Maar iedereen in de Liëuwerikstraot zal ôzze Jack gekend hebben in die periode tussen 1953 en 1964. Of hij hing in het raam aan de straatkant en riep tegen iedereen die voorbijkwam ‘Hôjj..’. Meestal kreeg hij vriendelijk antwoord, kwam dat er niet dan riep hij ze na ‘Heej . . eigewieze . . . ‘. Oftewel hij was pleite. Vanaf dat hij kon lopen, kneep hij er geregeld bij mam tussen uit en liep dan zomaar ergens naar binnen. Dat kon in die tijd, en iedereen bracht Jack wel weer keurig thuis.

 

Wij woonden in het voorste gedeelte, bekeken vanaf het dorp. Als je de straat tussen Gielen de slegter en het sigarettenwinkeltje van mevrouw Ammerlaan inliep lag rechts eerst de dump-opslag van Canjels (nr.6) met daarnaast de achterom van de families Hermans en Sückel uit de Pepijnstraat. De oude Hermans stond daar vaak in zijn driedelig grijs pak te koekeloeren, zijn hoed diep op de ogen gedrukt met daaronder een dikke sigaar in een norse kop gepropt. Daarnaast woonde beneden Franssen (nr.8) en in het bovenhuis Didriëns. Dan volgde de familie Maat (nr.10) met m’n jeugdvriendje Johan, en aan de andere kant van de gats Harie Geenen (nr.12) de melkboer. Vanaf links lag eerst de groentetuin en dan het huis van Heukelom (nr.7), daar vast tegenaan het huis van de familie van Beek (nr.9). Die hadden vier jongens, Jan, Wil, Kees en Jos. De laatste heeft nu een vakantiepark in Frankrijk (http://www.letangdesmirandes.com/). Naast hun achterom lag vervolgens een twee onder één kap. Op nr. 11 woonde (Roeska) Heemskerk en daarnaast op nr.13 wij.

 

Naast ons huis lag het Lieëuweriksveldje (nu nr.15-23), een ideaal speelveldje waar we vrijuit konden voetballen en kuilen graven. Als de school uit was, snel naar huis rennen, eerst een boterham op de vuist, andere kleren aan en vlug naar buiten. Alle jongens in een straal van ’n paar honderd meter verzamelden er zich, er werd ‘aangetraoje’ om partijen te kiezen. We hadden een uniek spelletje uitgevonden, een combinatie van voetbal, rugby en vrij worstelen. Bij ons mochten we tegen de muur knallen, Sielke Knorr aan de andere kant had daar meer moeite mee. Na zes uur liep het aantal medespelers sterk terug, en als mijn vader na zijn werk met de fiets van de Nedinsco thuis kwam was het ook voor mij afgelopen. Handen en gezicht wassen en aan tafel waar de zelf gemaakte soep geurend stond te dampen, het water loopt me nu alweer in de mond als ik er aan terug denk. Na het eten moesten mijn zusjes afwassen en ik mocht nog even naar buiten. Ja ja, ik kan het ook niet helpen maar zo was dat toen. De groep was wat kleiner en we deden dan verstöpperke, buske trappe of raegenpiëp verwissele. Total loss lagen we vóór acht uur in bed.

 

Aan de overkant van het Lieëuweriksveldje (tussen nr.12 en 20) lag een gapend gat met de puinhopen als angstaanjagende herinnering aan het bombardement van 1944. Als er niet gevoetbald werd konden we daar lekker ‘kuiten’ in de ruïnes onder de altijd sociaal controlerende ogen van het oudere echtpaar Sonnemans. Hij was een beetje doof, en je had ook nog geen hoorapparaten, dus werd daar thuis de hele tijd tegen elkaar geschreeuwd. En wij natuurlijk heel geniepig tegen elkaar fluisteren en naar elkaar lachen. ‘Waarom lachen jullie . . ?’ riep hij helemaal niet nieuwsgierig naar ons, waarop wij alleen maar lippenbewegend antwoord gaven. ‘Waar hebben jullie het over?’. Wij weer geluidloos lippenbewegend met brede armbewegingen antwoorden. ’Watte . . stelletje rotkoppen! ’.

Achterom ons huis lag de Smeliënboer waar we petatten en groente haalden. De boerderij werd met een brede hoge ligusterheg en breed struikgewas afgescheiden van de Lambertuskerk. Ook weer zo’n ideale speelomgeving, want het struikgewas en de hoge ligusterheg omzoomden de gehele kerk. Daar hebben we stiekem onze eerste sigaret gerookt en de eerste onschuldige kusjes gewisseld. Lambertus zal ongetwijfeld wel een oogje dichtgeknepen hebben . . .

 

Jan Titulaer